Jean Paul Van Bendegem, Professor VUB

Neen, het is niet wat u denkt. Had u verwacht dat ik hier een betoog zou houden over het verschil tussen man en vrouw wat logisch denkvermogen betreft dan zou dit ongeveer de meest bizarre plaats zijn om daarmee uit te pakken. (Hoewel meer dan dertig jaar universitaire onderwijservaring in het geven van een inleiding tot de logica en de wetenschapsfilosofie mij heeft geleerd dat vrouwen de kunst van het logisch redeneren beter beheersen dan mannen.) Integendeel, graag zou ik een betoog willen houden waarvan de conclusie luidt ‘Mannen en vrouwen zijn gelijkwaardig’. (Als logicus moet ik af en toe streng zijn en het gebruik van ‘gelijk’ in plaats van ‘gelijkwaardig’ is weloverwogen. Als ‘gelijk’ betekent dat er geen onderscheidende eigenschap kan gevonden worden dan zijn mannen en vrouwen strikt genomen niet gelijk.)Nu heeft een betoog vaak een vorm die bestaat uit een aantal premissen of vooronderstellingen en een conclusie. Denk maar aan het oerklassieke voorbeeld:

(P1) Alle mensen zijn sterfelijk,
(P2) Socrates is een mens,

Dus
(C) Socrates is sterfelijk.

Dat leidt tot de volgende vraag: uit welke premissen kan de gelijkwaardigheid van man en vrouw afgeleid worden? Op het eerste gezicht lijken er meer overwegingen te zijn die juist pleiten voor een ongelijkwaardigheid. Is het niet voldoende om aan te nemen dat mensen een voorbestemde plaats in de maatschappij hebben om daaruit te besluiten dat gelijkwaardigheid niet kan? Alleen Einstein kon Einstein zijn, alleen Cleopatra kon Cleopatra zijn. Maar zelfs als iemand wordt omschreven als een ‘geboren’ leider of leidster dan nog moet het zo zijn dat er een omgeving is waarin die leid(st)erscapaciteiten kunnen getoond worden. Iemand mag rustig een ‘geboren’ alcoholicus zijn maar op een eiland zonder alcohol zal men daar weinig van merken. Dit is een belangrijke tussenstap: een persoon denken zonder een omgeving mee te denken is uitgesloten. Maar in die omgeving komen anderen voor en zodoende wordt de kwestie van de gelijkwaardigheid van man en vrouw automatisch een maatschappelijke kwestie. Voeg dit nu samen met de gedachte dat er geen bevoorrechte plaats voor mij of voor gelijk wie in deze maatschappij voorzien is en de conclusie dringt zich op dat voor ieder mens verschillende plaatsen mogelijk waren geweest. Dat ik nu op plaats A ben en een ander op plaats B is één van twee scenario’s want ik had op B kunnen geweest en de ander op A.

Deze verwisselbaarheid – want daar gaat het mij om – is cruciaal. (Dit is waarschijnlijk de beste plek om mijn schatplichtigheid te bevestigen aan de beroemd-beruchte ‘sluier van onwetendheid’ van John Rawls, die ook steunt op een vorm van verwisselbaarheid). Een andere manier van kijken is deze: gegeven een maatschappelijke plaats dan had iedereen in principe deze plaats kunnen bekleden. Hiermee kunnen we een betoog opbouwen dat ongeveer als volgt loopt:

(P1) Verwisselbaarheid betekent dat een maatschappelijke plaats in principe door iedereen kan ingenomen worden,
(P2) Iemand uitsluiten betekent dat er op zijn minst één manier bestaat om een onderscheid te maken,
(P3) Gender is een manier om onderscheid te maken,

Dus
(C) Verwisselbaarheid betekent dat gender geen rol kan spelen in het innemen van een maatschappelijke plaats.

Bemerk dat deze redenering vrij krachtig is omdat we ons niet hoeven te beperken tot gender om een onderscheid te bewerkstelligen. Leeftijd, huidskleur, gezondheid, geloofsovertuiging, …, zijn andere en helaas alle reëel voorkomende criteria om de gelijkwaardigheid tegen te gaan. Niemand die eraan twijfelt dat de huidige situatie er één is waarin die verwisselbaarheid nauwelijks gerealiseerd is. Ik zie het als de grootste maatschappelijke uitdaging om hieraan te verhelpen. Waaruit meteen ook volgt dat ik feminisme (net zoals alle andere initiatieven om discriminaties weg te werken) als een maatschappelijke kwestie zie en niet als (louter) een individueel-persoonlijke kwestie.

Laat er geen misverstand over bestaan, ik besef terdege dat het bovenstaande slechts een aanzet is. Want hoe realiseren we de verwisselbaarheid, hoe bepalen we maatschappelijke plaatsen, wat zijn en waar liggen de grenzen (reden dat ik bewust aan (P1) ‘in principe’ heb toegevoegd) van verwisselbaarheid, …? Maar één ding is wel duidelijk: Beyoncé als feministe benoemen staat haaks op de bovenstaande gedachtegang. Want in haar geval gaat het niet om verwisselbaarheid tenzij op een uiterst beperkte manier: een specifieke plaats in de maatschappij, namelijk die van een super- of megaster, die voorheen bijna uitsluitend door mannen werd ingenomen, wordt nu door haar (met succes) geclaimd. Dit is een schermutseling boven op de Olympus (sorry, maar Parnassus is te veel eer). Het echte leven speelt zich af in de vlakte beneden waar zich alle problemen en uitdagingen situeren om samen te leven. Een occasioneel offer aan de goden kan leuk zijn maar in de vlakte laat het nauwelijks sporen na.