Diane Broeckhoven, schrijver/journalist

Als iemand me als feministe catalogiseert, spartel ik automatisch een beetje tegen. Wellicht ben ik teveel beïnvloed door het beeld van militante vrouwen die met geheven vuisten baas in eigen buik wilden zijn -terecht overigens- of die meer recent met ontblote borsten een taart in het gezicht duwen van iemand waar ze het niet mee eens zijn. Feministen zijn soms een tikkeltje agressief en meestal ergens tegen, zelden ergens voor. Op Facebook herken je hen in deze digitale tijden vaak aan posts over hun weelderig tierende schaam- en okselhaar. Ik hou daar niet van. Ik bedoel: ik wil er niet mee geassocieerd worden. Niet uit preutsheid of omdat ik een Brazilian wax of landingsbaan-adept zou zijn– niets is minder waar- maar omdat ik geen boodschap heb aan andermans intieme fysieke bijzonderheden.    Feministen zijn ook vaak tegen mannen gekant. Althans tegen de watjes die een autoportier voor hen openen, hun stoel uitnodigend achteruitschuiven in een restaurant of hun jas met de mouwgaten instapklaar gereed houden. Zij kunnen dat namelijk allemaal zelf. Ik ook, maar ik mag graag af en toe het pad kruisen met zo’n gentleman van een uitstervend ras.

Waarom houdt iedereen mij voor de feministe die ik niet wil zijn? Waarschijnlijk omdat ik een zelfstandig opererende en van niemand afhankelijke vrouw ben, die haar leven zelf vorm heeft gegeven en die nu de vruchten en bloemen plukt waarvan ze zelf de zaadjes ooit zaaide. Soms in het zweet van haar aanschijn, laten we dat duidelijk stellen.

In de tachtiger jaren ben ik gescheiden van de man met wie ik oud had willen worden, de vader van mijn drie kinderen. Ondertussen zijn we grootouders van zes kleinkinderen. We gaan liefdevol met elkaar om, we zijn er voor elkaar. Daar moet ik voortdurend uitleg over geven, vooral aan vrouwen, want het is blijkbaar meer geaccepteerd om je ex met een deegroller of koekenpan op zijn hoofd te slaan dan om hem uit te nodigen voor het kerstdiner met de familie. Ik heb de kinderen zo goed als alleen opgevoed. Ze kwamen niets tekort, behalve misschien schoenen of een jas van het juiste merk. Ze hebben gestudeerd, gemusiceerd, hun talenten op alle mogelijke manieren ontplooid terwijl mijn inkomen toch heel lang bedenkelijk rond het minimum schommelde. Dat kwam omdat ik er alles voor over had om mijn droom waar te maken. Ik wilde en zou leven van mijn pen, die weliswaar dubbel schreef, als journalist en als schrijfster. Een baan met vastigheid en zekerheid weigerde ik aan te nemen, omdat dat ten koste zou gaan van mijn droom. Wie van negen tot vijf werkt en drie kinderen heeft, komt ’s avonds niet meer tot het schrijven van een artikel, laat staan tot het schrijven van een boek. En dat was mijn ambitie. Ik koos dus met volle overtuiging voor een freelance bestaan. Omdat ik dan mijn creatieve geest kon aanspreken, mijn werk zelf kon regelen en omdat ik er voor mijn kinderen kon zijn als ze uit school kwamen. Met thee, een koekje en een luisterend oor, jawel! Rock ’n roll klinkt dat niet, feministisch nog minder. Maar ik heb er geen seconde spijt van gehad.

Meer dan veertig jaar al hou ik als zelfstandige mijn schrijfwinkel draaiende, iets wat veel slagers en kroegbazen me niet kunnen nazeggen. Het betekent nog steeds: hard werken, altijd op scherp staan, niet te trots zijn om eens een opdracht onder je niveau aan te nemen en het commentaar van anderen daarop naast je neerleggen, blijven publiceren, je antennes altijd en overal uitsteken. Het betekende vroeger vooral: offers brengen en prioriteiten stellen, niet te veel zeuren over glazen plafonds en gemiste vakanties, in je regenpak op de fiets stappen in plaats van met je mantelpak in de auto. Ik had zelf voor het realiseren van die droom gekozen en daar wilde ik niemand anders aansprakelijk voor stellen.

Mijn kinderen zijn al lang de deur uit, mijn opvoedtaak is volbracht. Ik leef en opereer nu alleen. Ondertussen ben ik 70 (zucht) en ik werk nog steeds even hard en gedreven als in mijn vruchtbare jaren. Er staan ondertussen bijna veertig jeugdboeken en romans op mijn conto. Ik heb niet geprotesteerd omdat we langer moeten werken alvorens de staat voor ons gaat zorgen, want in mijn geval betekent werken een heel bevredigende bezigheid kunnen rekken en uitpuren. Mijn pen schrijft nog steeds aan twee kanten. Mijn schrijversdroom is gedroomd én werkelijkheid geworden. Ik leef een vrij en onafhankelijk leven, omringd door vrienden van beiderlei kunnen, maar ook zeer gelukkig in mijn eigen gezelschap! Ik tel dagelijks mijn zegeningen en zal op mijn sterfbed niet verzuchten ‘Had ik maar…’.  Als ik dan toch een feministe ben, noem me dan maar een heel tevreden feministe.