Wouter Beke, voorzitter CD&V

Begin maart kreeg ik twee journalistes op bezoek in ons partijsecretariaat in de Wetstraat. Ze kwamen me interviewen voor een groot artikel in Knack. Het thema: mannen en feminisme. Daar werkte ik graag aan mee. Tot één van de dames, de fotografe, plots een T-shirt bovenhaalde. Een zwart exemplaar, waar ze in grote witte blokletters het woord ‘FEMINIST’ op genaaid had. “Zelf gemaakt, gisterenavond nog”, glimlachte ze trots. En of ik het kon aantrekken voor onze fotoshoot. “Het wordt de coverfoto!”, voegde ze daar met een dikke knipoog aan toe.Ik heb mezelf altijd een feminist genoemd. Voor mij is feminisme geen zaak van vrouwen, maar van de hele samenleving. Maar eerlijk? Ik moest toch even slikken, toen ik het daar zo zwart op wit zag staan. Qua ‘outing’ kon dat wel tellen. Ik hoorde in gedachten al de smalende opmerkingen van een aantal mannen in mijn naaste omgeving. De flauwe commentaar op Facebook en Twitter en het gegniffel hier en daar. Maar juist dat plotse besef van mijn eigen, op vooroordelen gebaseerde twijfel trok me uiteindelijk over de streep. Ik trok het T-shirt aan en enkele luttele tellen later stond ik voor de klikkende camera. Het woord ‘feminist’ in grote letters op mijn torso geschreven. Er was geen weg meer terug: ik was officieel uit de kast gekomen.  Ik, Wouter, ben een feminist. En nog een trotse ook.

Waarom ik mezelf feminist noem, en andere mannen en vrouwen oproep om zich ook achter de zaak te scharen? Omdat ik er rotsvast van overtuigd ben dat de meest stabiele en volmaakte samenleving er één is waar mensen dezelfde kansen en een gelijkwaardige behandeling krijgen. Niet alleen op papier maar ook in de praktijk. Vandaag is dat nog niet helemaal het geval. En ja, het klopt dat er veel vooruitgang geboekt is de laatste decennia.  Maar laat ons dat argument niet gebruiken om kapot te relativeren wat wel nog beter kan. Of beter moet. Vandaag nog las ik in Humo dat België kampioen is in seksueel geweld. Een trieste bevestiging van een fenomeen dat ons welbekend is, een schandvlek op onze samenleving.

En dan zijn er nog de minder extreme maar desondanks frappante voorbeelden. De hardnekkige ondervertegenwoordiging van vrouwen in raden van bestuur. Iets dat we met quota (ja, dat oh zo verguisde woord) proberen recht te trekken. Maar ook de loonkloof, of seksisme op de werkvloer en daarbuiten. En de taakverdeling binnen het gezin, die ook in onze moderne samenleving nog steeds voor het grootste deel op de schouders van vrouwen terechtkomt. In die zin is de genderbonus een interessante piste. Al jaar en dag een stokpaardje van Vrouw & Maatschappij, de vrouwenbeweging van mijn partij.  Deze maatregel moet mannen aanmoedigen om ouderschapsverlof op te nemen. Het cliché bestrijden waar heel wat jonge vaders mee te maken krijgen: ‘Thuisblijven voor de kinderen? Laat dat toch aan je vrouw over”. Dat V&M met dit voorstel telkens opnieuw op zoveel weerstand stuit, zegt genoeg. En dat mannen zo’n maatregel nodig hebben om voor hun rechten als vader te durven opkomen, eigenlijk ook.

Dus ja, ook mannen mogen en kunnen wat meer feminist zijn. Voor onze moeders, dochters, zussen, echtgenotes en vriendinnen, en voor het algemene evenwicht in onze samenleving. Het draagvlak is er – iets dat trouwens ook bleek uit de overwegend positieve reacties op mijn interview (en foto) in Knack. Ja, ook uit mannelijke hoek. Hier en daar volgde zelfs een nieuwe outing van een collega of vriend, zij het meestal fluisterend en in een 1-op-1-gesprek. Maar de meest overtuigende bevestiging dat ik een goede keuze gemaakt had kreeg ik via Twitter. De reactie op mijn FEMINIST-foto, vanwege een man die me al een tijdje volgt. Hij tweette me: “Dat je een wijf was wisten we toch al langer”. “Oh jee”, dacht ik toen. “We hebben écht nog veel werk voor de boeg”. Samen onze schouders zetten onder het feminisme: ook mannen weten waarom!