Prof. Dr. Ignaas Devisch, UGent

Het is even onmogelijk geen feminist te zijn als er wel een te zijn. Met die cryptische gedachte wil ik aan de slag om uit te leggen wat het kan betekenen om zich als man over het feminisme te buigen.

Ik zou er mij makkelijk kunnen van afmaken en het houden bij een politiek correct betoog over gelijke kansen. Als man een common sense pleidooi houden voor gelijke maatschappelijke genderposities en voor de opwaardering van de vrouw in de samenleving, is me te makkelijk. Morele pleidooien moeten worden voorafgegaan door een vorm van nadenken over dat pleidooi, en zo heb ik de vraag naar mijn standpunt over feminisme begrepen: wat betekent het om als man met die vraag om te gaan? Ik wil daarom nadenken over de positie van de vrouw en mijn verhouding tot die vraag.

Het is vooreerst onmogelijk om geen feminist te zijn, zoals het ook onmogelijk is om geen humanist of ecologist te zijn. Uiteraard zijn we dat. Je kan toch moeilijk pleiten tegen respect voor de mens, de vrouw of het milieu? Ook feminisme is daarom geen morele keuze. Het is een existentiële en politieke noodzaak die is ingegeven door de strijd tegen ongelijkheid, machtsmisbruik of seksueel geweld dat nog altijd in grote getale uitgaat van mannen tegenover vrouwen. Ik huiver bij de gedachte aan het aantal vrouwen dat dagelijks wordt aangerand. En uiteraard staat feminisme ook hiervoor: strijden tegen dat vreselijke leed en onrecht dat vrouwen wereldwijd wordt aangedaan. Zo is de recente nieuwe wetgeving in Duitsland tegen aanranding – ‘neen is neen’ – een absolute vooruitgang te noemen maar het is in feite ongehoord dat we anno 2016 daartoe nog wetgeving nodig hebben.

Daarmee is de kous natuurlijk niet af want hoe nobel deze strijd, zich erachter scharen volstaat niet. Het morele comfort ervan – ‘kijk eens, mijn standpunt is moreel superieur’ – is te makkelijk indien het niet tot andere daden leidt. Feminisme moet ook gaan om een streven voorbij de strijd, om menselijke interactie waarbij rolpatronen of genderverschillen alleen nog bestaan omdat we er vrijwillig voor kiezen en niet omdat het door de een aan de ander is opgelegd. Verschillen geven zin, letterlijk: ze plaatsen ons in interactie met elkaar. Verschillen laten ook toe om verliefd te worden op elkaar, om elkaar een rol te laten vervullen, van welke aard die ook is.

Feminisme als strijd is bijgevolg een lastig ding. Het kan ertoe leiden dat we relaties kortwieken door het louter vanuit dat perspectief te benaderen of interacties tot een idioot niveau seksualiseren, zodat we vanuit de angst om politiek incorrect te zijn, haast niets meer durven zeggen tegen elkaar. Zo kreeg ik onlangs kritiek omdat ik vrouwen de lof had toegezwaaid. Dat heet dan paternalisme. Of dat ik een mannelijk auteur had geciteerd. Dat zou dan seksisme zijn.

Voor die versie van feminisme pas ik omdat ze relaties en menselijke interacties reduceert tot een louter seksegebonden/seksistische materie. En gelukkig zijn relaties veel en veel meer dan dat. In die zin is het ook onmogelijk om alleen maar een feminist te zijn. Het zou ertoe kunnen leiden dat we vergeten dat mannen en vrouwen elkaar kunnen aantrekken of afstoten vanuit de particuliere rollen die ze opnemen en dus vanuit hun verschillend zijn.

Feminisme gaat daarom wat mij betreft zowel over gelijkwaardigheid als over gelijke behandeling, en niet zozeer over gelijkheid. Sommige mensen moet je ongelijk behandelen om ze gelijke kansen met anderen te geven. Zo zijn vrouwen terecht vaak ongelijk behandeld om de hegemonie van mannen te doorbreken in bepaalde functies of kringen. En eens die flagrante discriminaties zijn weggewerkt, kunnen we verder.

Het beste feminisme is voor mij het feminisme dat niet meer nodig is. Maar daar zijn we voor alle duidelijkheid nog lang niet aan toegekomen. Er is nog veel feminisme nodig om geen feminist meer te zijn.