Luc Coorevits, algemeen en artistiek directeur Behoud de Begeerte

Wie even rondom zich kijkt, een krant leest of een geschiedenisboek doorbladert, weet dat er maar één woord van tel is: verbijstering. Mensen in Zuid-Soedan die het qua dagelijks brood met wat onkruid moeten stellen, Donald Trump, de wapenindustrie en de steun van de ene aan het andere, vluchtelingen waarover men spreekt als over een insectenplaag. We staan erbij en kijken ernaar.

Duizenden aanleidingen tot steile verontwaardiging kunnen worden opgesomd, daarbij denkend aan de onsterfelijke oneliner van Gerard Walschap: “De mens, ge kunt gij daar niet aan uit”. Ik pik er voor deze gelegenheid één item uit, het vrouwelijk stemrecht. Dat is in ons land niet eerder dan in 1948 ingevoerd, amper 68 jaar geleden. In 1948 had de mensheid al wat achter de rug: wereldoorlogen met miljoenen slachtoffers, Beethoven, Tolstoj en Picasso hadden hun meesterwerken al lang gecomponeerd, geschreven en geschilderd, de gloeilamp, de auto, de telefoon én het warm water waren reeds een poosje uitgevonden, maar het moest duren tot 1948, in België althans, vooraleer men op het idee kwam om vrouwen stemrecht te geven. Alle mannen moeten zich daar met terugwerkende kracht nog generaties lang voor schamen.

In 1972 beantwoordde de socialistische politicus Louis Major, op dat moment Kamervoorzitter, dus eerste burger van het land, een verzoek van Nelly Maes met de woorden: “Wijven moeten niet zoveel complimenten maken”. Nelly Maes had gewoon gevraagd om haar eigen naam te mogen gebruiken, en niet die van haar man. Als het daarom is dat hij aan de rand van het Stadspark van Antwerpen een imposant standbeeld heeft gekregen, dan moeten we toch even op zoek naar een stel stevige hamers en touwen – dat zal in de haven van Antwerpen wel te vinden zijn.

Bekijk de feministische tijdlijn op de voortreffelijke website van RoSa en constateer, alweer met verbijstering, hoe recent de geschiedenis van het feminisme is, althans in onze gewesten. In grote delen van de wereld moet die geschiedenis trouwens nog beginnen.

Zelf heb ik er achtentwintig jaar over gedaan om feminist te worden. In 1988 kreeg ik, als organisator van 8 Beaux-Forts (een groot literair evenement in het Paleis voor Schone Kunsten te Brussel), van Veerle Weverbergh en Elisabeth Marain een open brief, waarin ze me flink onder mijn voeten gaven omdat er op de affiche geen vrouwen voorkwamen. “Ze hebben het ons weer eens gelapt! (…) Wij stellen vast dat anno 1988 een flagrante negatie van vrouwelijke kunstenaars nog steeds aan de orde is”. Ik reageerde daar toen een beetje lacherig en hautain op, geen hoogtepunt in mijn carrière, maar ik had de boodschap wel goed begrepen en hield voortaan rekening met het genderevenwicht. Weverbergh en Marain hadden, besef ik nu meer dan ooit, overschot van gelijk. Zoals ook de Anna Bijns Stichting, die zich tot doel had gesteld de vrouwelijke stem in de literatuur te promoten en die mij onder de arm nam. In 1991 en 1992 kwam daar effectief een Nacht van de Vrouwelijke Stem van, telkens in de Arenbergschouwburg te Antwerpen en telkens met uitsluitend vrouwelijke schrijvers op het podium – op één uitzondering na, Leo Pleysier. Het duurde vervolgens tot 2016 vooraleer er een derde Nacht van de Vrouwelijke Stem kwam, en wel in de Bibliotheek Permeke te Antwerpen. Directe aanleiding waren de gebeurtenissen op het stationsplein te Keulen. Ook de derde Nacht werd opnieuw een lange, fijne, veelkleurige, kwalitatief hoogstaande voorstelling.

In de laatste rechte lijn naar de derde Nacht van de Vrouwelijke Stem begon de titel me echter tegen te staan. Wat als we voor hetzelfde programma nu eens een andere titel hadden gekozen, waar de ‘vrouwelijke stem’ niet in voorkwam? Wat als ik nu eens een Saint Amour zou organiseren met uitsluitend vrouwen, zonder dat evenwel extra in de verf te zetten. Zou dat opvallen? Ik vrees van wel, terwijl dat eigenlijk niet zou mogen. Ik kwam tot de vaststelling dat, zolang er nachten van de vrouwelijke stem georganiseerd worden, er iets niet klopt. En ook, dat zolang er iets niet klopt, er nachten van de vrouwelijke stem georganiseerd moeten worden.

Hoe recent en flamboyant de geschiedenis van het feminisme ook is, je moet hopen dat het feminisme zélf zo snel mogelijk geschiedenis wordt, dat het zichzelf overbodig maakt door al zijn terechte doelstellingen hier en overal, nu en altijd te verwezenlijken, dat gendergelijkheid voortaan geen onderwerp van gesprek meer is, maar de meest vanzelfsprekende zaak ter wereld, waar we het verder niet meer over moeten hebben. Genderongelijkheid moet iets worden waar we onbegrijpend en gegeneerd naar terugkijken, zoals we nu terugkijken naar slavernij, heksenprocessen en discussies over de plaats van de zon in het heelal. Maar zover zijn we nog niet.