Monika Triest, auteur van o.a. ‘Wat zoudt gij zonder ’t vrouwvolk zijn? Een geschiedenis van het feminisme in België’

Al in de middelbare school, waar de ‘mères’ mochten lesgeven terwijl de ‘sœurs’ het vuile werk moesten opknappen, was ik me bewust van een grote onrechtvaardigheid in de samenleving. Waarom de enen zus en de anderen zo? Ook het feit dat de pastoor mocht zeggen wat hij wilde vanop de preekstoel stuitte me tegen de borst. Die man duldde natuurlijk geen wederwoord, hoewel ik dat toch ijverig probeerde.

Toen ik naar de universiteit ging ontdekte ik dat de mannelijke studenten niets noteerden in de les, terwijl de meisjes, die vooraan moesten zitten, dat wel deden. Hun notities kwamen uiteraard bij de jongens terecht. Bovendien plakten de jongens een ‘score’ op de meisjes op basis van hun uiterlijk. Het maximum was 10 op 10, wat natuurlijk niemand kreeg. We voelden ons bekeken, maar hadden nog niet de reflex van daartegen luidop te protesteren. We wisten ook nog niet dat sommige studentes meer punten kregen als ze op de schoot van de (mannelijke) prof gingen zitten. Het werd wel gefluisterd, maar we geloofden het niet. Hetzelfde gebeurde toen de eerste vrouwelijke politici in het parlement plaatsnamen en er gefluisterd werd dat ze daar zeker plat voor gegaan waren.

Later kreeg ik te maken met de echte discriminatie en onderdrukking in de wereld, zoals de Zuid-Afrikanen die hun land moesten ontvluchten vanwege het apartheidsregime. Toen ze aankwamen in een land als Canada, ondervonden ze dat ze geen studentenkamer konden krijgen omdat ze zwart waren. We deden onze eerste controles van woningdiscriminatie en schreven rapporten voor het bestuur van de universiteit. Daarna werd er in Canada, de USA en de rest van de wereld massaal geprotesteerd tegen de oorlog in Vietnam.

Tijdens de voorbereidingen van acties, demonstraties, marsen… ondervonden de vrouwen dat ze de vergaderingen niet mochten leiden. Koffie zetten, dat wel. Hetzelfde toen we ‘the movement’ in de USA organiseerden. De verbanden werden duidelijk zichtbaar: het kapitalisme, het militair-industrieel complex, armoede, eeuwenlange discriminatie van anders gekleurde mensen én van vrouwen. Het feminisme was geboren en zou niet meer stoppen: van ongelijke lonen en behandeling op de arbeidsmarkt naar seksueel geweld, abortus en kinderopvang.

Tijdens de jaren 1960-1970 schreven we geschiedenis. De beweging bleef niet beperkt tot de USA. Europa en de rest van de wereld maakten kennis met de vrouwenbeweging. Internationale contacten gaven ons inspiratie en kracht. We trotseerden alle vormen van mannelijke autoriteit en onderdrukkende structuren, we vonden overal bond- en lotgenoten. We noemden onszelf trotse feministen, women’s liberators, en gingen de hele geschiedenis herschrijven die tot dan verborgen was gebleven. We kregen een verruimde blik op het verleden, het heden en de toekomst, en op de hele wereld. We pasten onze principes, zoals solidariteit en strijd, ook in de praktijk toe.

Sindsdien noem ik mezelf – heel trots- een feministe en zal dat ook altijd blijven doen, met hetzelfde engagement. Voor mij is het feminisme nooit gedaan, de doelstellingen – een samenleving van gelijkheid en rechtvaardigheid- nooit bereikt. Blijvend verzet zal dus nodig zijn. Het feminisme is een sociale strijd.